Columns en meer

π†πžπžπ§ (𝐨𝐟 𝐰𝐞π₯) 𝐰𝐨𝐨𝐫𝐝𝐞𝐧 𝐯𝐨𝐨𝐫

Dat ze heel lang geleden geen woord hadden voor slapeloosheid. De jongeman achter ons in de concertzaal houdt er een heel relaas over tegen zijn buurman. VΓ³Γ³r het concert, niet tijdens. Hij heeft het nog over rechtop slapende soldaten en de rest ontgaat me, want naast hem gaat het gesprek over subsidies waar geen gebruik van wordt gemaakt. De spreekster heeft er geen woorden voor.

Toevallig doe ik veel met woorden. Er bestaat zelfs een boek met de titel β€˜Het juiste woord’. Als het niet spontaan in je hoofd opkomt, vind je het daar wel. Maar voor heel veel heb ik geen woorden. Gewoonweg omdat me niets invalt.

Zoals de dame naast ons in de concertzaal. Die haar partner naar de stoel links van haar dirigeert, want zo zitten ze altijd. En dat ze hoopt, dat zegt ze met luide stem tegen die partner op links, dat die vrouw (ik, links van die partner) niet de hele tijd gaat zitten filmen, want daar houdt ze absoluut niet van: …
Of deze ochtend. Ik scrol wat, kom bij een berichtje terecht van een man over zijn kat (mijn algoritme) waarin hij zegt dat de kat denkt dat hij goed verstopt zit, maar dat zijn baasje hem toch wel ziet. Ik speur de foto af en vind niks. Lees wat reacties. Rechtsonder op de steen, maar ik zie nog steeds niks. Een kwartier later denk ik: … (maar hier heb ik eigenlijk wel woorden voor, namelijk verspilde tijd.)
De uitspraken en acties van de man met oranje gezicht en gele kuif: …
Troep op straat en in het groen: …
Mensen die je inhalen op een 30-kilometer weg: …
Maar ook: het noorderlicht dat we laatst over onze tuin zagen gloeien: …
Het concert waar we ademloos, woordeloos en (bijna) telefoonloos naar luisteren: …
En dan die slapeloosheidsman achter ons, die prachtig blijkt te kunnen zingen (we mogen meedoen bij één stuk): …

Overigens, die dame had het ook gewoon aan mij kunnen vragen, of ik van plan was de hele tijd te gaan filmen. Daar had ik een woord voor: Nee.
Een rij verderop zat wel iemand het concert te filmen, maar die had natuurlijk de woorden van de dame niet gehoord.

𝐈𝐬 𝐦𝐨𝐨𝐒

Vorige week las ik β€˜De laatste reis van de veerman’ van Frode Grytten en β€˜Alles voor de liefde’ van Adriaan van Dis. Twee boeken waarin herinneringen worden opgehaald. De auteurs gebruikten daarvoor respectievelijk een logboek en aantekeningen. En ineens vond ik het toch wel jammer dat ik gestopt ben met die korte stukjes over van alles en nog niks; kleine herinneringen in woorden gevat. Tijd om weer eens iets op papier te zetten.

De oudste en jongste kleindochters, toevallig zusjes, logeren bij ons. De jongste is ondertussen een dreumes van bijna 20 maanden. Daar waar de oudste van 7 alles zelf kan, heeft die kleine nog wel wat hulp en ondersteuning nodig. Maar ze weet heel goed als iets van haar is en ze dat niet wil delen: β€˜MIJ”. En wat ze wel of niet wil. Wil je een banaan: NEE. Een koekje? JA. Uiteindelijk gaan die banaan en sinaasappel er ook goed in, want ze weet wel wat lekker is. Ze weet ook wanneer ze moe is, dan wil ze naar boven. Het in slaap vallen die avond is dan ook geen probleem. Het enige probleem is oma, die het altijd leuk vindt om, voordat ze zelf het bed induikt, naar haar slapende kleindochters te kijken.

De kleine komt net een beetje overeind en ziet me. Ja, dan moet je iets bedenken om de kleine weer verder te laten slapen. Ze gaat wel liggen, maar als ik de kamer verlaat is het huilen. Dus blijf ik zitten. Kleintje is stil. Ik hoor haar ademhaling zwaarder worden, het piepen van de speen en dan haar hese stemmetje: β€œIs mooi.” Geen idee waar ze het over heeft, want het is nogal donker in de slaapkamer. Even later nog een keer: β€œIs mooi.”

Als het wat langer stil blijft, besluit ik de kamer uit te sluipen. Heel lastig in een huis vol krakende vloeren en deuren. Ik buk me, geen idee waarom, zet een paar stappen, sta een tijdje stil, nog een paar stappen, bijna bij de deur, ik maak de kier wat groter, weer bukken, stil blijven staan, weer verder sluipen en na een minuut of tien sta ik op de overloop. Missie geslaagd. Het kleintje slaapt.

De volgende ochtend zit ze rechtop in haar bed en wrijft over het dekbedovertrek. β€œIs mooi!” klinkt het. Als ze dat mooie stofje vannacht in het vage licht van het nachtlampje kon zien, heeft ze oma ook zien wegsluipen. β€˜Is lachwekkend’, behoort nog niet tot haar vocabulaire.

(voor de foto is gebruik gemaakt van een stand-in)

𝙑𝙖𝙣 π™§π™€π™™π™š 𝙖π™ͺπ™©π™€π™€π™©π™Ÿπ™šπ™¨ π™šπ™£ π™©π™§π™–π™™π™žπ™©π™žπ™šπ™¨
Mijn grootvader reed vroeger in een DAF 33, later Volvo 66. Ik herinner mij een klein rood en daarna goudkleurig exemplaar. Opa reed altijd stevig door en legde flinke afstanden af. Als ik de bus miste bij de bushalte achter hun huis, bracht hij me naar school in Heerlen. Als hij aankondigde dat hij de auto in de garage ging zetten, wist oma dat hij een uurtje weg was. Want die route van de Treebeekstraat voor hun huis naar de garage achter het huis ging via Merkelbeek, Bingelrade, Jabeek naar Schinveld en via Brunssum weer terug.
Dat autootje reed hem overal naartoe. En mij ook. (En m’n neef, toen nog neefje, zie foto!) Om een zakcentje bij te verdienen, hielp ik mijn grootvader bij het innen van het advertentiegeld van de Treebeek Post, hΓ©t nieuwsblad van de wijk. Het autootje was ons kantoor. Ook vervoerde hij zakken vol appels en aardappelen, want hij wist altijd de beste plekjes om die te kopen.
Op zonnige dagen gingen mijn grootouders samen op pad. Het kofferbakje volgeladen met een tafel, twee stoeltjes, koffie en brood. Want, zo was de regel, om tien uur ’s morgens en om drie uur ’s middags was er koffie. Waar ze zich ook bevonden. Dus, reden ze rond die tijd ergens in ik weet niet waar, werd er gestopt, tafel en stoeltjes uitgeladen, koffiekan erbij en genieten maar.
Nog zo’n traditie van mijn grootouders was dat ze iedere trouwdag vierden. Niet alleen de speciale getallen, maar alle getallen. Uiteraard om tien of drie uur, met koffie en koek, koud buffetje; ze maakten er altijd een feestje van. Voor een van de speciale getallen hadden de zoons iets bedacht. Een uitstapje. Opa en oma werden thuis opgehaald met een busje waar we met z’n allen inpasten . EΓ©n minuut voor tien vertrokken we. Opa al een beetje zenuwachtig want ja, bijna koffietijd. Om tien uur stopte het busje halverwege de Treebeekstraat. Tafel en stoelen werden uitgeladen, koffie ingeschonken en daar zaten ze; te genieten. En te zwaaien naar de buren.

π™‚π™€π™šπ™™π™š π™©π™žπ™Ÿπ™™π™šπ™£β€¦
De griep had ik. Eerst lag ik in bed, maar daarna op de bank. Met Netflix. De serie Bloodline om precies te zijn. Een verhaal dat zich afspeelt rondom De Florida Keys. Terwijl ik geniet van de prachtige beelden van langgerekt witte stranden en de geluiden van boomkrekels, werkt de familie Rayburn zich in de nesten.
Zoon en verschoppeling Danny komt naar huis; het begin van alle ellende.
Danny vraagt aan de vader of hij mag blijven. De vader vindt dat de andere drie kinderen dat maar moeten beslissen. De drie kinderen nemen een besluit, maar de ene broer zegt tegen Danny dat het de beslissing van hun vader was. Danny gaat, maar blijft dan toch.
Langzaam komt er een familiegeheim aan het licht. Een dochter is lang geleden verdronken, Danny kreeg de schuld, vader tuigde Danny af en heel de familie vertelde aan de politie dat Danny tegen een auto was gelopen. Die leugen was mama’s plannetje. Maar dat weet Danny dan weer niet.
Intussen blijkt Danny schulden te hebben, stort hij zich in louche zaakjes en bedreigt hij deze en gene. De naam van het familiehotel staat op het spel en zijn broers en zus beraden wat ze met Danny moeten doen. De ene broer is van de politie, de ander zit zwaar aan de alcohol en drugs, de zus verdedigt als advocaat de verkeerde misdadiger en die misdadiger wordt weer door Danny voor zΓ­jn karretje gespannen.
Ineens blijkt er een cassettebandje te zijn waardoor het familiegeheim in een ander licht komt te staan, gaat de zus vreemd, wordt de ene broer in elkaar geslagen en vinden die broer en zus dat de politiebroer hun problemen op moet lossen. De partij drugs die Danny in de schuur van het familiehotel verstopt, verdwijnt (werk van de broers en zus), Danny verdwijnt (werk van zichzelf), komt weer terug, stapt weer in de bus richting Miami, maar is dan toch weer niet ingestapt. De moeder van iedereen zit met de handen in het haar, want de douche van een van de vakantiehuisjes lekt. En op het moment dat ik denk, erger kan toch niet, verzuipt de politiebroer zijn broer Danny.
Probleem opgelost, denk je? Neen, dit was nog maar seizoen één.

π™ƒπ™–π™£π™™π™žπ™œπ™π™šπ™žπ™™π™Ÿπ™š
Het bed verschonen is altijd een heel karwei, vind ik. Eerst moeten die twee lompe matrassen van een molton en hoeslaken worden voorzien. En dan nog het dekbed, dat nu nog uit een zomer- en winterdeel bestaat, dat met drukknopen aan elkaar zitten. Krijg dat maar eens in de hoes zonder dat er iets losgaat. En zonder lege flappen aan het end, omdat het dekbed zich ergens in het midden heeft verzameld.
De echtgenoot heeft daar een handigheidje voor. Gezien of gelezen. Of er een filmpje bijzat, weet hij niet meer. Dus even zo uit de losse pols. β€œIk moet dit doen,” zegt hij en hij trekt het lits-jumeaux dekbedovertrek over zich heen. Daar moet ik al om lachen. Ja hoor, zó’n handigheidje.
Ondertussen heeft de echtgenoot zich al drie keer van links naar rechts en van onder naar boven door het overtrek gedraaid. Want, hij vindt de punten niet. Of ik die even aan kan geven. Dat wil ik wel, maar omdat hij niet stilstaat, vind ook ik die punten niet.
Hebbes. β€œNou moet jij het dekbed aangeven, de punten in de punten.” Ik moet nu zo erg lachen om de echtgenoot in dat overtrek. In iedere punt een hand of een voet. β€œEn waar blijf jij dan?” Ja, dat weet hij zelf ook nog niet.
Ik zie het al helemaal voor me, hoe de telefoon gaat, kantoor, of de echtgenoot nog komt werken. β€œJa, nee, die ligt op bed.” Of de kinderen, waar papa is. β€œJa, nee, die ligt op bed.” β€œAlweer?” β€œNee, nog steeds.”
Op wonderbaarlijke wijze zijn alle punten tot elkaar gekomen, ligt het dekbed mΓ©t overtrek op het bed en staat de echtgenoot ernaast. Ik heb alleen maar gelachen. Terwijl ik dit schrijf, herinner ik me iets. Gezien of gelezen. Dat tien minuten lachen gelijk staat aan tien minuten op de loopband. Er zat geen filmpje bij. Maar ik denk wel dat we vanaf nu het bed Γ­edere dag gaan verschonen.

π˜Ώπ™š π™’π™€π™šπ™žπ™©π™š π™£π™žπ™šπ™©
Sinds enkele jaren hebben we een andere tandarts. De oude hield ermee op.
Ooit begon ik samen met vader en moeder bij tandarts Gruijthuizen aan de Akerstraat-Noord in Hoensbroek. Zeven kleuren stront, want die man boorde dat het een lieve lust was en zonder verdoving. Als beloning voor je goede gedrag kreeg je een lolly. Omdat we elk half jaar gingen, hoefde ik niet naar de tandartsbus die regelmatig voor school stond. Die was blijkbaar nog erger.

Gruijthuizen stopte ermee; de dichtstbijzijnde tandarts die nog plek had in zijn praktijk was Laudy in Sittard. Dus reden we daar om het half jaar naartoe. Daar waar Gruijthuizen alles had dichtgestort met cement, renoveerde Laudy de hele zaak met nieuwe vullingen. Maar nog net zo grijs en glimmend als voorheen. Steeds weer een gevoelloze mond, pijn enzovoorts. Door een operatie met vergaande gevolgen kon de man zijn vak niet meer uitvoeren en werd zijn praktijk overgenomen door een vrouw die zo voorzichtig en langzaam was dat ik haar naam ben vergeten.

En nu gaan we naar tandartsenpraktijk Oschek, een moderne praktijk in Geleen. De vullingen zijn wit en de behandelingen pijnloos, zelfs zonder verdoving. Ik ga altijd samen met moeder. De afgelopen week mochten we zelfs samen bij de tandarts naar binnen. Moeder krijgt complementen voor haar sterke gebit, haar eigen tanden en altijd tiptop in orde.
Ik hoop op hetzelfde compliment, maar bij mij is weer eens iets afgebroken. De verstandskies dit keer. Hoe het met de beugel gaat? Goed, vraag het β€˜m zelf. Hij hoort je. Zeg ik niet natuurlijk. Bij welke orthodontist ik ben? … zeg ik ook niet, want ik weet zijn naam even niet meer. Die kennis zat waarschijnlijk in het stuk afgebroken verstandskies. Die moet bijgewerkt worden en daarvoor zit ik een paar dagen later weer in de stoel. De eerste keer dat er ergens een nieuwe vulling in moest, duurde dat 20 minuten.

Afgelopen week dus de verstandskies. Ik kijk op de klok als ik naar binnen word geroepen. Tien minuten later zit ik in de auto. Als dat een volgende keer nog korter duurt, ga ik niet meer. Dat is de moeite niet!

Schuiven
Ken je die schuifpuzzeltjes? Je schuift als het ware de puzzelblokjes op de juiste plek. Dat lukt wel eens, maar veel vaker lukt dat niet en smijt je het ding in een hoek of peuter je er uit frustratie de blokjes uit om ze vervolgens op de juiste plek te persen. Dat geschuif doen wij met de spullen hier in huis, als we zeggen dat we gaan opruimen.
De tuinstoelkussens liggen nog in de schuur en daar is het te vochtig. Normaalgesproken doen we de kussens in grote zakken en leggen ze op het zoldertje van de bijkeuken. Veel gedoe. Daarom bedenkt de echtgenoot: β€œAls ik nu eens plek vrijmaak op zolder. Daar is het warm, droog, geen gedoe met zakken en zo.”
Prima…
Hij gaat meteen aan de slag. Alle dozen met cd’s, oude video’s en boeken, versleten drumvellen, dozen vol verf, bandrecorder, stoelen, planken, lampen, kerstversiering enzovoorts belanden op de naastgelegen zolderkamer. De stoelkussens sjouw ik naar boven. Stoelen en lampen verhuizen naar de gang, twee etages lager, die kan iemand vast nog wel gebruiken. De bandrecorder, drumvellen en toebehoren staan op een gegeven moment buiten vΓ³Γ³r het huis. Die breng ik later naar het milieupark. Maar misschien neemt iemand de spullen voor die tijd mee. En dat gebeurt. Als ik die middag op het punt sta naar mijn moeder te gaan, staat er voor de deur een jongeman te telefoneren met zijn moeder. Ze is niet thuis, hij is op de scooter en omdat hij in dezelfde wijk woont als mijn moeder, zetten we de spullen in mijn auto, rijd ik achter hem aan en laden we ze bij zijn huis weer uit.
Bij mΓ­jn moeder staat nog een bureaustoel die ze kwijt wil. De oudste dochter kan die wel gebruiken, dus die neem ik weer mee. Uiteindelijk gaat die stoel naar de zoon, die ook nog andere spullen op komt halen die nog bij ons in de gang staan. De lampen belanden bij de schoonzoon in de auto, die gaan naar zijn moeder want zij heeft daar weer een adresje voor. De stoelen zijn ondertussen opgehaald, twee zakken kleding verdwijnen nog in de klep bij het Leger des Heils en nu zou je denken, dat ruimt lekker op. Ja, de gang is weer leeg.

π˜Ώπ™š π™œπ™§π™šπ™£π™¨

Grenzen aangeven is vaak lastig. Het ligt er soms ook aan om wie en wat het gaat. Ik ben dan ook blij dat het kleine grut het nu al leert. Ik zag dat bij de yogalessen voor peuters. Anita, met wie ik ook samenwerkte voor het kinderyogaboek β€˜Ik ben ik en jij bent jij’ deed dat heel goed. Bij elkaar op de rug tekenen was één van de oefeningen. De zon, regen, alles weer wegwrijven. Soms gebeurde dat iets te hardhandig. Of een kindje vond die aanraking niet fijn. Anita leerde de peuters dan om stop te zeggen Γ©n om goed naar de ander te luisteren.

Bij ons eigen kleine grut zie ik dat ook. Zeggen ze nee tegen een knuffel of kus, niet aandringen. Wil de één spelen en de ander niet, tja, dan moet je even wachten.

Het komt dan ook wel eens voor dat ik op de bank zit. Tussen twee kleuters in. Allebei met hun knuffel onder de arm. En allebei roepend: β€œIk wil met rust gelaten worden!” Meestal is die β€˜rust’ maar van korte duur.

Ze brengen dat wat ze geleerd hebben ook al in de praktijk. Zoals deze woensdag. We wandelen met ons drietjes richting vijvertjes. Zoeken kikkerdril. Of kikkerbril, zoals de jongste zegt. β€œIk wil ook kikkerbril zien.” Oudste kleindochter op haar hurken naast haar iets jongere, maar even grote nichtje: β€œKijk, Lotta, daar, dat is kikkerdril. KikkerDril.”

Een man wandelt langs met zijn hond. Een grote. De dametjes rennen een heuveltje op en af. De hond rukt de man zijn arm van zijn lijf. Zoveel speelsheid, hij wil meedoen. Ik ken de man en we maken een praatje. Ondertussen rennen de kindjes en blijft de hond springen en aan de riem rukken. De man wankelt. De dametjes houden het dier in de gaten. Ik ook. Want als de riem losschiet of de man omvalt, liggen ze met z’n drieΓ«n in de vijver.

Opeens loopt het oudste dametje richting de man en hond. Zo dichtbij als ze durft. En zegt: β€œJullie kunnen beter doorlopen.”

En dat deden de man en de hond toen ook.

π™’π™šπ™œπ™¬π™šπ™―π™šπ™£ 𝙀𝙛 π™–π™›π™¬π™–π™¨π™¨π™šπ™£
In zijn rolstoel manoeuvreert hij behendig tussen alle tafeltjes door. Hij neemt bestellingen op, heel kalm en rustig, zoekt de juiste drankjes en gerechten op zijn tablet, maakt een praatje en rolt weer verder. Voor de bar bergje op, bergje af, vooruit, achteruit, heen en weer. β€œIk word per kilometer betaald,” grapt hij.
De lege flesjes stopt hij naast zich tussen zijn been en stoel, kopje en bordje op schoot. β€œVoor de rest kom ik wel terug.” Ook bij de gasten naast ons wil hij de flessen meenemen, maar daar zit nog een flinke slok in. β€œPast niet allemaal in het glas,” verontschuldigt de man. De jongeman in de rolstoel zegt: β€œGeen probleem. En denk eraan…” we zijn allemaal stil en nieuwsgierig wat hij nu gaat zeggen. β€œOok nog even uitwringen!”
Het doet me denken aan het restaurant ergens in Zuid-Duitsland waar het er allemaal wat minder gastvrij aan toe ging. Het gezicht van de vrouw die ons bedient staat op zeven dagen onweer. En bij ieder kruimel, floddertje, stukje of partje dat per ongeluk op het tafelkleed belandt, staat ze klaar om met een mes het geknoeide van de tafel te schrapen. Mijn neefje legt met opzet een stukje aardappel op de tafel en ja hoor, dame met mes in aantocht. We weten niet hoe snel we er weg moeten komen.
Dat is deze avond niet aan de orde. Wel moet er een leeg tafeltje schoon worden gemaakt en een jongeman krijgt daar instructies voor. Als de begeleidster wegloopt, zegt hij lachend: β€œJe lijkt mijn moeder wel.” Tegen ons: β€œMaar gelukkig woon ik nu op mezelf.”
Het is zo gezellig dat we ook nog een toetje nemen terwijl er eigenlijk niets meer in past. En als ik met de kaart van mijn moeder ga betalen en de volgorde van de getallen niet meer weet, zegt de jongeman bij het pinapparaat. β€œU mag ook afwassen.” Ik: β€œEn stel je voor ik zeg ja?” Begeleidster, heel serieus. β€œOh mag hoor, er is ontzettend veel afwas.” Het pinapparaat mag ik meenemen naar onze tafel en gelukkig weet mijn moeder haar nummer wel. Maar afwassen leek me ook geen straf.

π™†π™–π™ π™šπ™’π™šπ™£π™©
Dat mijn kaken misschien wel te oud zijn voor een beugel, suggereer ik. De orthodontist lacht, maar ik voel mijn kaak straktrekken en dichtklappen. Mijn tong zit er net niet tussen. β€˜Dat je vel gaat hangen en haar grijs wordt, betekent niet dat ik te oud ben voor een hulpmiddel,’ hoor ik hem denken. Hem ja, of haar, bij kaak kan dat allebei. Maar als ie kliert is het een hem.
Dus, we stellen dit maar meteen even aan de kaak, of die kaak te oud is. Wat duidelijk is, is dat alle tanden en kiezen er scheef instaan. En ik speel niet op de kaak.
Maar goed, ik ga ook niet de kaken op elkaar houden. Hoewel dat wel moest tijdens het maken van de foto’s van de kaak. Maar ook foto’s van het gezicht, mond dicht, glimlachend, van voren, zijkant. Toen het moment aanbrak waar ik het meest tegenop zag, bleek β€˜happen’ niet meer te hoeven, maar werd er een 3d film gemaakt, van die kaken, met die scheve tanden en kiezen. Ik schrok zo van het eindresultaat en van de schrik deed ik die uitspraak over de te oude kaken. Maar ook de orthodontist schrok van de 3d film van haar eigen kaken en dat stelde me weer gerust.
Feit is wel dat het woord kaak me ondertussen erg bezighoudt. Kaak is namelijk een palindroom of spiegelwoord, een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen kan worden en van rechts naar links en dan nog altijd hetzelfde betekent. Lepel ook. En kok. Parterretrap ook, maar die heb ik niet van mezelf.
In vroeger tijden was de kaak een schandpaal. De uitdrukking iets aan de kaak stellen was oorspronkelijk: iemand op de kaak stellen. De kaak was een verhoging, platform of schavot, waar misdadigers op werden gezet om ze zo voor het oog van het volk te straffen of om ze door het publiek te laten bespotten.
Weten we dat ook weer. En nu heb ik zin in een kaakje!

π™•π™€π™£π™™π™–π™œπ™¨ π™«π™šπ™§π™’π™–π™–π™ 

β€œWaar ga je wandelen? Zeker weer op van die stille, afgelegen paadjes.”

De echtgenoot heeft het niet zo op mijn zondagse rondje. Maar er moet toch af en toe aan de conditie worden gewerkt. Dus besluit ik om deze ochtend een andere route te nemen. Net zo stil, maar dat hoeft de echtgenoot niet te weten.

Het pad wandelt goed. Totdat het versmalt en overwoekerd is met de takken van de bramenstruiken die er groeien. Heel veel takken. Met stekels. En die grijpen alles vast wat er langskomt. Mijn sjaal, broek, jas, schoenen. Ik ploeter door, neem hoge stappen en trap de takken tegen de grond. Maar de begroeiing wordt steeds dikker. Met mijn voet blijf ik achter een streng takken hangen. Ik krijg mijn voet niet opgetild, hel voorover, ik zie de dorens dichterbij komen. Een gebeurtenis van lang geleden schiet in mijn gedachte. Met een groepje kinderen rennen we een helling af. De hele meute stopt, behalve Sandra. Die duikt met een rotvaart de bramenstruiken in. De rest van de dag is er iemand bezig geweest met een pincet de dorens uit mijn armen en benen te peuteren.

Dat zal me vandaag toch niet gaan gebeuren zeg. Ik geef een ruk met mijn voet en gelukkig schiet de veter los en kan ik een stap naar voren zetten. Het zijpad dat ik wil nemen, is veranderd in een modderige helling. Mijn knieΓ«n piepen en kraken.

Heelhuids kom ik beneden. En alsof de spanning nog niet hoog genoeg is, ligt daar een koffer. Er steekt iets uit. Ik wil doorlopen, alsof ik het ding niet heb gezien. Maar als fervent lezer van thrillers kan ik maar één ding doen. Je raadt het al. Voorzichtig til ik het deksel op, ja, ik heb een handschoen aan. Ik verwacht ledematen, vingers, een hoofd. De koffer blijkt alleen wat kleding te bevatten.

Of het rondje van vandaag iets voor mijn conditie heeft gedaan? Geen idee. Maar vermakelijk was het wel!

fish food cartoon isolated illustration

π˜½π™–π™ π™«π™žπ™¨ 𝙀π™₯ π™π™šπ™© π™«π™€π™šπ™©π™—π™–π™‘π™«π™šπ™‘π™™
Ooit was ik verliefd op een jongen. Hij voetbalde. Ik speelde klarinet. Hij lachte daar wat om. Ik ging naar een voetbalwedstrijd. Daar had ik al uit kunnen concluderen dat de verliefdheid aan mijn kant heviger was. Of dat er ΓΌberhaupt alleen bij mij vlinders waren. Want hij durfde wel iets te ondernemen, maar deed niks. En ik durfde niks en deed ook niks, alleen maar wat staan, kijken en af en toe een woord na schooltijd. Bakvis.
Maar toch ging ik naar die wedstrijd van een destijds fanatieke voetbalclub. Op het veld werd driftig heen en weer gerend en geroepen en langs de kant stonden heel wat mensen te joelen en te juichen. Er ging een nieuwe wereld voor me open. De desbetreffende jongeman had alleen oog voor de bal en ik dacht, wat doe ik hier. Maar ja, verliefd…
Op het moment dat ik dacht, genoeg nu, ik ga naar huis, viel mijn oog op die ene man langs de kant. Met drukke gebaren probeerde hij de voetballers iets duidelijk te maken. Bij iedere trap tegen de bal gevloek en getier. Werd er in het voordeel van de tegenpartij gefloten, ontplofte hij bijna. Wat er gebeurde als de bal over in plaats van in het doel ging, durf ik niet eens aan het papier toe te vertrouwen. Na de eerste drie kwartier vond ik het genoeg geweest. Maar de jongeman, gedreven door ambitie, vroeg me nog te blijven. Ja, nu wel. Dus keek en luisterde ik nog eens drie kwartier naar de schreeuwende en scheldende man. Ik dacht nog, dadelijk blijft ie erin, maar uiteindelijk was hij toch blij, want de ploeg won.
β€œHoe vond je het?” vroeg de jongeman na afloop. Verwachtte hij nu commentaar op de wedstrijd of wat? β€œNou,” begon ik, β€œik was nogal afgeleid door die man langs de kant. Jeeminee, wat een idioot.”
De jongeman: β€œDat was mijn vader…”
De verkering was al niks en daar is het bij gebleven. En met voetbal is het nooit goed gekomen!

Mijn dorp

In jouw straten
liggen mijn herinneringen
als stenen gestapeld
de plassen weerspiegelen
die souvenirs van toen

Huilen om voeten
koud van het schaatsen
lachen met vriendinnen
om die allereerste zoen

vaak wilde ik weg
maar ben toch gebleven
diepe wortels
in jouw grond

In alles was
er die ene constante
mijn dorp zonder wie
ik niet bestond

Op de korrel
Het zand kraakt onder onze schoenzolen in café Hoppe. Het is één van de oudste etablissementen van Amsterdam, opgericht in 1670, in eerste instantie als distilleerderij met een proeflokaal. Een café waar harde muziek uit den boze is, waar een goed gesprek nog op waarde wordt geschat en waar het zand op de vloer herinnert aan tijden van weleer toen men nog pruimtabak kauwde.
We strijken neer op een houten bank aan de muur, bier en wijn bij de hand. Terwijl aan de bar een dame en heer hun ervaringen uit het Jappenkamp delen, sluit stamgast Jan zich bij ons aan. Hij wijdt ons in, in de geheimen van het cafΓ©; de deur tussen de flessen sterke drank die naar de damestoiletten leidt, de ruimtes boven de bar waar vroeger de medewerkers van de distilleerderij vertoefden. We hangen aan zijn lippen. Als de woorden eenmaal zijn ontketend, is de stroom niet meer te stoppen. Af en toe lukt het ons er een vraag tussendoor te gooien. Want Jan zal in al die jaren toch wel heel bijzondere dingen hebben meegemaakt in het cafΓ©?
Nou en of! Vooral die keer toen een jongedame zijn kruk wilde delen. Niet ieder met een bil op het randje, nee nee. Terwijl Jan wijdbeens de kruk bemande, plantte de dame haar billen in zijn kruis. β€œZe zat er letterlijk bovenop,” wijst Jan naar beneden. Terwijl Jan zich de gehele avond niet durfde te verroeren, genoot de dame van haar steuntje in de rug. Aan het eind van de avond bedankte ze Jan voor het delen van de kruk en weg was ze. β€œJa, dat maak je hier allemaal mee”, besluit Jan zijn verhaal.
Dan schiet hem ineens te binnen dat ook Willem Alexander al eens een pintje in Hoppe heeft gedronken. β€œHij schudde me de hand. Van Buren, stelde hij zich voor. Dat is zijn schuilnaam. Maar ik herkende hem meteen. Gewoon gezellig iets gedronken en dat was het,” veegt Jan het schuim van z’n snor.
Het tweede biertje en wijntje hakken er op onze lege magen nogal in. Na een uitgebreid afscheid van Jan trekken we Amsterdam weer in. We hebben van Jan genoten. Zijn verhalen nemen we met een korreltje zand.
Foto: Cafe Hoppe

Geregeld
Met de volle winkelwagen loop ik richting kassa. Op dat moment klinkt er een alarm door de supermarkt. Moeten we op de grond gaan liggen? Kar laten staan en naar buiten? Maar blijkbaar ben ik de enige die verschrikt opkijkt. De andere klanten winkelen onverstoorbaar door. Dus doe ik hetzelfde en loop door naar de kassa. Daar zit een jongeman te duimendraaien. Ook hij geeft geen krimp, lijkt de sirene niet eens te horen. Als ik een opmerking maak over het geluid, begint hij uit te weiden. Over de leveranciers die deuren open laten staan, collega’s die de code niet kennen, weekendhulpen die al helemaal niet weten hoe alles werkt. Eigenlijk is hij de enige die weet hoe de winkel gerund moet worden. Net als hij aanstalten maakt om op te staan en de boel te gaan regelen, stopt het alarm. De jongeman kijkt naar me met een blik van β€˜zo doe je dat’.
Ondertussen liggen de boodschappen op de band en begint hij bedaard de artikelen te scannen. Ik sjouw nog twee zakken potgrond naar de kar en de jongeman gaat nog even door over het alarm.
Ineens kijkt hij me aan en zegt: β€œDeze mag ik u niet verkopen.”
Ik kijk naar zijn handen. Die rusten op de sixpack 0.0 bier. Even is het stil. Ik denk nog, dit is zijn humor. De fles wijn heeft hij zonder meer gescand. Nu gaat ie mijn legitimatie vragen voor het alcoholvrije bier. Omdat de jongeman nog steeds geen woord heeft gezegd, zeg ik: β€œOw?!”
Hij knikt en zegt: β€œIs over de datum.”
Ik zeg weer: β€œOw.”
Hij legt de tray aan de kant en wil iemand roepen om een nieuwe te pakken. Maar als ik aanbied om dat zelf te doen, mag dat.
Ik reken af, de jongeman pakt de telefoon en sommeert iemand de pallet met Hei…piep 0.0 biertje te controleren op de datum. Hij weet Γ©cht hoe het werkt!
(omdat ik geen passende foto voor handen had, eentje van concurrent Bra…piep)

π™‘π™žπ™šπ™§π™šπ™£, π™«π™žπ™Ÿπ™«π™šπ™£ (π™šπ™£ π™―π™šπ™¨π™¨π™šπ™£)
Soms gaan we nog wel eens met z’n vijven op stap. Vader, moeder en de inmiddels al lang en breed volwassen drie kinderen. Winkelen, ergens een hapje eten, wat drinken, naar de film. Vroeger al was dat vaak uitgelatenheid ten top. Het kwam dan wel eens voor dat we thuiskwamen met veel kabaal en dat de kanarie van schrik van de stok viel. De hartmassage van de echtgenoot heeft het beestje zeker drie keer het leven gered.
Vorige week streken we neer op het terras van een Maastrichts filmhuis. Met z’n vieren, want nummer vijf was nog onderweg. Omdat we maar een uur hebben, bestellen we al van alles; nummer vijf heeft zijn wensen doorgegeven. De man die onze bestelling opneemt, kijkt naar de lege stoel en zegt: β€œJullie zijn eigenlijk met z’n vijven toch?”
De andere vier: β€œJa, zijn we ook. Kijk maar, daar zit ie. Je ziet β€˜m niet, hΓ¨. Klein Duimpje. Als hij wat te eten krijgt, zie je hem. Let maar eens op.”
We bestellen van alles, te veel plankjes voor de twee tafeltjes. Tafel wordt bijgeschoven, nummer vijf arriveert. En ja hoor, na de eerste hap van Klein Duimpje loopt de man langs en ziet hem zitten.
De plankjes met hapjes blijven komen. β€œIets te vieren?” vraagt de jongeman die het eten serveert en een studiegenoot is van nummer vijf. De echtgenoot die al heel druk bezig is met schuiven, opscheppen en doorgeven, zegt: β€œNee, met z’n vijven.”
De jongeman heeft veel geduld, alles krijgt een plekje en uiteindelijk vraagt hij nog eens. β€œIets te vieren?” β€œJa, altijd!”
Na de film hebben we nog zin in een drankje. Als we het cafeetje binnenkomen, zegt iemand: β€œDaar zijn ze weer.” En ja hoor, we gaan gewoon verder met vieren, met z’n vijven.
Gelukkig is er thuis geen kanarie meer.

π˜Ώπ™š π™―π™žπ™£π™£π™šπ™£ π™«π™šπ™§π™―π™šπ™©π™©π™šπ™£

Het is tijd voor vakantie. Tijd om de zinnen te verzetten. Maar niet voordat ik jullie heb meegenomen naar die ene legendarische woensdagmiddag in juni. Met de dametjes en hun overgrootmoeder wandel ik naar een klein speeltuintje in de wijk. Het ene dametje is een beetje mopperig. De schommel gaat niet hoog genoeg, het klimrek is niet groot genoeg. Als haar nichtje op één van de drie wipkippen zit, wil zij ook precies die kip. Terwijl ik het huilende dametje op andere gedachten probeer te brengen, kijkt overgrootmoeder toe vanaf een bankje aan de zijlijn.

Dan staat ze op en de vrouw die onlangs 82 jaar werd, in wier huis geen tapijtjes liggen om vallen te voorkomen, van wie de rollator altijd startklaar is, die ik aan de arm van de voordeur naar de auto begeleid en aan de arm van de auto naar de voordeur breng, die ik tijdens het winkelen geen moment uit het oog verlies, bang dat ze struikelt, uitglijdt, onderuitgaat, die zelf beweert zo lenig te zijn als een betonnen paal, die krakende en pijnlijke knieΓ«n heeft, maar nog geen nieuwe zoals ze laatst aan de telefoon beweerde, die vrouw neemt plaats op een wipkip.

Het ene dametje kijkt met open mond toe, het andere dametje vergeet te huilen en ik neem een paar stappen en ben nog net op tijd bij de wipkip die vervaarlijk achterover helt en bij mijn moeder die alleen maar β€˜oeoeoeoeoeh’ roept. Ik zie zwaailichten, een brancard en gips voor me. Maar moeder rolt veilig van de kip en begeeft zich al lachend terug naar het bankje aan de zijlijn. Ook het theater bij de andere wipkip is voorbij.

Even later marcheren de drie rond de tafel op de muziek van de Efteling. In de woonkamer zonder vloerkleden en gevaarlijk obstakels. Op muziek die uit de google radio komt. Van alle markten thuis die overgrootmoeder. De zinnen worden al verzet.

π™π™šπ™™ π™™π™š π™žπ™Ÿπ™¨π™—π™šπ™šπ™§

Deze woensdagmiddag gaan we de ijsbeer redden. Dat is het thema van een middag voor kinderen in de bieb van Heerlerheide. Ik bel nog even voor alle zekerheid met de bieb, want de minimumleeftijd is zeven. De dametjes zijn vier. Maar we kunnen gewoon komen, geen probleem.

En maar goed ook, want de dametjes zijn uiteindelijk de enige twee kinderen die aanwezig zijn. Heel jammer, want de mensen van het Wereld Natuur Fonds (WNF) hebben een leuke en leerzame middag voorbereid. Omdat de minimumleeftijd nu iets lager ligt, past de vrouw van WNF het programma ter plekke aan. Eerst leest ze voor over de ijsbeer en alle dieren die op de Noord- en Zuidpool leven.

De dametjes ploffen neer op de kussens op de grond. De jongste leunt een beetje achterover, moe van alweer een halve week school. De oudste schakelt in de één en geeft gas. Ze heeft een antwoord op alle vragen, ziet alles wat er om haar heen gebeurt en heeft overal commentaar op.

De vrouw past ook het verhaal aan, want de moeilijke weetjes boeien de dames nog niet echt. Als ze een bladzijde omslaat schiet de oudste naar voren. β€œEen narwal,” wijst ze naar het plaatje van het walvisachtig dier met een enorme slagtand, ook wel de eenhoorn van de zee genoemd. De wenkbrauwen van de vrouw schieten omhoog. Misschien heeft ze de dametjes toch wel onderschat?

Op naar de volgende bladzijde. β€œZouden er ook mensen wonen op de Noordpool,” vraagt ze. Weer veert de oudste op en roept: β€œJa, de kerstman!”

Na het verhaal gaan we knutselen. Geen protestborden zoals de bedoeling was. Maar ijsberen. De mensen van WNF halen alles uit de kast en de dametjes knutselen dat het een lieve lust is. In de auto naar huis praten we nog even na. Dat het wel zielig is voor de ijsbeer dat er steeds minder plek is om te wonen. Wat we daaraan kunnen doen? β€œGoed voor de aarde zorgen,” zeg ik. β€œHoe dan?” Leg dat maar eens uit aan twee vierjarigen. Ik kom niet verder dan β€œgeen rotzooi op de grond gooien.”

En alleen dΓ‘t al is voor velen een onmogelijke opgave.

π™π™€π™šπ™©π™šπ™¬π™žπ™¨π™¨π™šπ™§

De ruitenwissers van de Toyota flubberen en het beeld is slecht bij regenweer. Tijd voor nieuwe. Dat is de afdeling van de echtgenoot. Hij studeerde een korte tijd autotechniek en kent de ins en outs van bijna elke auto. Een krassend geluid en hij weet dat de remmen aan vervanging toe zijn. Een piepje bij het optrekken? De riem van het een of ander. Olie verversen, water aanvullen, banden op spanning, je kunt het met een gerust hart aan hem overlaten. Regelmatig een appje of telefoontje van de kinderen met β€˜pap, de auto doet raar, wat kan dat zijn’. En negen van de tien keer heeft hij gelijk.

Zijn taak dus om voor nieuwe ruitenwissers te zorgen. Die zitten er dan ook al snel op.

Die avond halen we moeder op om naar de verjaardag van de sint te gaan. Het regent. De ruitenwissers doen het niet zo goed. β€˜Ze moeten zich nog even zetten,’ zegt de echtgenoot. Ik knik, want ja, mijn autokennis reikt niet verder dan dat ik weet waar de tankdop zit. Ook vind ik het niet erg dat het blauwe zijn dit keer. Is eens iets anders.

Moeder neemt plaats. β€˜Die ruitenwissers doen het niet zo goed,’ merkt ze op.

β€˜Het zijn nieuwe, die moeten zich nog zetten,’ zeggen de echtgenoot en ik in koor. Maar het beeld blijft slecht. Twee straten verder roept de echtgenoot geΓ«rgerd: β€˜Nu begint er ook al een los te laten.’ Moeder: β€˜Wat een kloemel.’ Dat is Limburgs voor prul. De echtgenoot moppert dat hij morgen meteen teruggaat naar de winkel waar hij die kloemele gekocht heeft.

Het is opletten geblazen met dat slechte zicht. Maar dan klinkt het ineens voorzichtig vanaf de bestuurderskant: β€˜Of zouden die blauwe dingen beschermers zijn?’ Moeder en ik beginnen al te lachen, want een aannemelijkere oplossing is er niet. We stoppen op een parkeerplaats, de echtgenoot stapt uit. En ja hoor, hij schuift de beschermers er zo vanaf en daaronder bevinden zich prachtige zwarte ruitenwissers die het ook nog eens perfect doen. Zonder inwerkperiode. Wel jammer dat ze nu niet meer blauw zijn.